De politiek staat te ver van de samenleving af. Deze heersende opvatting komt voort uit het feit dat de mensen in onze samenleving doorgaans weinig interesse hebben voor het besluitvormingsproces bij politieke onderwerpen en het daarbij horende politieke debat.
Één van de veelgehoorde oplossingen is dat politici wat meer alledaagse, begrijpelijke taal moeten gebruiken. De “bewijslast” wordt dan meestal geleverd door de populariteit van Geert Wilders aan te halen.
De vraag is natuurlijk of de populariteit van de PVV te maken heeft met de begrijpelijke taal die Geert Wilders bezigt of misschien wel voortkomt uit het feit dat Geert roept wat veel mensen willen horen.
Toch is het zo dat er activiteiten ontplooid worden om het ambtelijk taalgebruik daar waar mogelijk terug te dringen door het gebruik van meer gangbare, begrijpelijke taal te stimuleren. Er is dus kennelijk wel degelijk “winst” te behalen door hier actief mee bezig te zijn en laten we eerlijk zijn, het leest wat makkelijker weg als je herkenbare taal tegenkomt in makkelijk geconstrueerde zinnen.
“Doe even normaal man” kan dus best door een parlementariër gezegd worden in de 2e Kamer. Het is modern, van deze tijd. . .
De andere kant van dit verhaal is natuurlijk de status van parlementariërs, ministers en de premier. Dit zijn mensen die ons land leiden. Moeilijke onderwerpen als het bestrijden van een economische crisis, het vaststellen van een evenwichtige verdeling van rijksuitgaven, het ontwikkelen van een visie op de toekomst van Nederland, al dit soort problemen wordt toevertrouwd aan deze mensen.
Het is dan ook belangrijk dat we vertrouwen in de parlementariërs, ministers en premier kunnen hebben. Dat vertrouwen moet voortkomen uit het geloof dat we in deze mensen stellen. Dat geloof is weer gebaseerd op het kennisniveau, de uitstraling en het aanzien van de politici. Taalgebruik en omgangsvormen spelen daarbij een belangrijke rol.
Het moge duidelijk zijn dat straattaal in het parlement niet bijdraagt aan uitstraling en aanzien omdat het verschil tussen parlement en de willekeurige kroeg op de hoek daarmee vervaagt.
Er is nog een element van belang en dat is de voorbeeldfunctie die politici hebben als publieke personen. Door als volksvertegenwoordiger de premier zo aan te spreken wordt het voor iedereen legitiem om je altijd en overal maar zo te gedragen. Daarmee wordt het werk van bijvoorbeeld een politieagent of een lerares aanzienlijk bemoeilijkt. Dit zijn functies waar autoriteit en respect van essentieel belang zijn om de functie naar behoren uit te kunnen voeren. Door kennis en vaardigheden aan de dag te leggen moeten deze mensen respect kunnen afdwingen en op basis daarvan hun werk goed kunnen uitvoeren. Met dit voorbeeld van omgangsvormen zijn competenties als kennis en vaardigheden niet goed genoeg meer.
Het moraal van dit verhaal is dat het gebruik van gangbare, alledaagse taal bijdraagt aan begrijpelijkheid voor een brede groep mensen. Wat daarbij niet uit het oog mag worden verloren is het aanzien en respect dat een ieder voor elkaar moet hebben en wat in taal tot uiting komt.
“Doe even normaal man” kan dus helemaal niet. Het dient geen doel en richt alleen maar schade aan. Met een opmerking als “U maakt het groter dan het is. Het was niet zo bedoeld en is zeker niet zo gezegd” had Wilders net zo begrijpelijk gesproken en waren respect en aanzien onaangetast gebleven.
Kortom, Wilders, doe voortaan even normaal man.